Dikkig in de veren probeerde de vale gier zich in evenwicht te houden. Ze zat op de balustrade van de toren van de Spijkster Andreaskerk, boven de klok. Het was tien uur in de ochtend. Een waterig zonnetje bescheen het Groningerland. De windvaan op de torenspits, een leeuw, leerde dat de wind zuidwestelijk was.
Ze voelde zich niet goed sinds de dood van de man in de plaats met hoge huizen, nu een week geleden. Het was alsof ze in de rui was, zonder in de rui te zijn. Ze wist niet of ze echt wat onder de leden had en simpelweg de tijd moest nemen om uit te zieken. Volgens de oude vrouw op de kwelder kon het ook zijn dat ze was Aangegrepen door de Gebeurtenissen. Het lichaam kan lijden onder de ziel, had ze gezegd. Maar, zo had ze eraan toegevoegd: alleen de ziel kan het leed leiden uit het lichaam.
De vale gier voelde aan dat deze woorden betekenis hadden, zoals alle woorden ertoe deden die de oude vrouw sprak. Wat de woorden precies wilden zeggen, vond de gier echter lastig om te duiden.
Vanuit de lucht had de gier vorige week de rode draad het huis van de man naar binnen zien gaan. Even later volgde een harde knal. Daarna kwam de draad het huis weer uit, om noordwaarts te vertrekken. Precies zoals de oude vrouw had gevreesd.
Het suisde in de lucht. Uit het westen kwam de oude zeearend aangevlogen. Hij voegde zich bij de gier. Een tijdje zaten ze zwijgend samen op het torentje van Spijk.
‘Het kon niet gered?’ vroeg de arend.
De gier schudde haar verenlijf. ‘Het ging snel,’ zei ze. ‘De voorbereiding was smal. Binnen en buiten lagen vrijwel samen in het moment.’
‘En de nabereiding?’
De gier had geen idee. ‘Die kan zijn, maar ik weet het niet. Ik was snel naar de kwelder gegaan. Daarna werd ik min.’
De oude arend keek naar de gier. ‘Ik dacht eens,’ zei hij. ‘Zie je de onheil of breng je die?’
De gier schudde weer haar veren. ‘Ik twijfelde evenzeer,’ zei ze. ‘Ik meende immer dat ik enkel voelde en zag. Maar hier speelt het anders, dus ik was ook anders gaan denken. Maar de oude vrouw weet zeker dat het de lijnen zijn die lopen. Dat deed me weer denken slechts die te volgen.’
De arend leek opgelucht. ‘Komt het goed met je? Wat als de rampspoed versnelt?’
‘Goede vragen,’ zei de gier. ‘Ik ben het zicht even kwijt, want het vliegen deert. Maar maak je om mij geen zorgen. Ik zal gedijen. Het is de rode draad die aandacht moet. Die gaat noordwaarts en kan verknoopt raken. De kans daarop oogt groot.’
Vanuit de toren zag de arend de groene knoppen aan de takken van de hoge bomen rond de kerk. Beloftes van het voorjaar. Over enige tijd zouden ze zich ontvouwen, gelijk de tijd in de toekomst.
